Op deze pagina staan de meest recente preek/preken. Wil je reageren of gebruik maken van de tekst, dan graag een bericht naar j.t.baart@gmail.com.
Lukas 13: 22-30 & Jesaja 30: 15-21
Preek, gehouden op 22 augustus
In de Tour de France is de Alpe d’Huez een hoogtepunt, letterlijk en figuurlijk. Al heel veel jaren was deze berg in Frankrijk de finishplaats van de Tour de France, behalve de afgelopen twee keer dan. De renners starten aan de voet van de berg en de snelsten zijn ruim binnen de veertig minuten boven. Met 21 haarspeldbochten en een hoogte van 1860 meter een hele prestatie. Zelfs als je het op TV volgt, dan voel je de kracht die nodig is om omhoog te komen in hoog tempo, je ziet de getrainde kuiten en ruikt haast het zweet. Grote bewondering!
Totdat ik deze zomer de bergen inging. We bestegen de toppen van bijna 4000 meter die in de achtertuin van onze tent stonden – ik geef toe: met een kabelbaan. We stegen tot 3200 meter en stonden zo ongeveer op het dak van de wereld. Je zag om je heen de toppen van de Alpen van Frankrijk, van Zwitserland, van Italië. Je kon de Mont Blanc haast vastpakken, zo leek het wel. En toen zag ik links van me een heuveltje liggen. Even kijken op het tableau wat dat nu weer is. Hé. Is dát nou de Alpe d’Huez? Die flinke molshoop? Was dat nou zo moeilijk om naar boven te fietsen?
Tweede gratis!
Het is maar net waar je staat, hoe je tegen de dingen aankijkt. Van beneden klimmend is het heel wat anders dan van bovenaf neerkijkend. Met bijbelteksten kan dat ook zo zijn: het is maar net waar je staat. Je kunt twee heel verschillende preken over houden over hetzelfde verhaal. En soms zijn ze allebei waar. U krijgt er twee voor de prijs van één.
Kijk eens met me mee naar het verhaal uit het evangelie. Jezus zegt: “Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan. Want velen zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen.” Hoe versta je dat? Het is maar waar je staat.
Nog niet zo lang geleden – ‘toen ik nog jong was’ – zou ik een preek gemaakt hebben waarin ik die woorden heel serieus had genomen: “doe alle moeite.” Het gaat niet vanzelf, geloven, en het mag nooit vanzelfsprekend zijn. Het vraagt iets van je. Van anders leven, van volkomen toewijding. Je kunt je niet terugtrekken achter het feit dat je ouders naar de kerk gaan – het gaat er in je leven om dat je zelf Jezus volgt. Je kunt niet volstaan met naar de kerk gaan, aan het avondmaal deelnemen en de catechese volgen – geloven in Jezus Christus gaat ook je leven veranderen. Je komt er niet met een hoop weten over God – de vraag is of je Hem vertrouwt en Hem als jouw herder en verlosser wil leren kennen.
Geloven vraagt iets van je. Nee, geloven vraagt alles van je. Zo Jezus’ woorden verstaan, dat past bij waar je staat. In je leven, de levensfase van opbouwen, van geloven dat de wereld beter kan worden en dat je zelf het verschil uitmaakt. Het geloof dat God handen heeft, namelijk jouw handen. Om de wereld een stukje beter te maken.
Zo helpen we mee aan een plek, waar niet doorgaat wat altijd is geweest en wat altijd zo zal blijven, maar waar opgekomen wordt voor liefde, voor vrede, voor gerechtigheid en trouw. Zo maken we deel uit van dat koninkrijk van God. Als je je dat koninkrijk voorstelt als een huis, of gepaster: als een paleis, dan is de deur onverwacht smal, maar hij staat tenminste nog open. De wereld is nog niet verloren en God heeft haar nog niet opgegeven.
Het is tijd, hoogste tijd, om de kant van deze koning te kiezen voordat het te laat is. In termen van het verhaal: voordat de goddelijke heer des huizes de deur in het slot gooit en de mensheid alleen nog maar spijt rest. Spijt dat ze niet is opgekomen voor het recht van de armen, voor het recht van een gezonde natuur voor mensen hier en in andere werelddelen, spijt niets gedaan te hebben aan de stumpers die getroffen waren door een ramp, geen kaart voor een zieke, geen euro in de extra collecte. Spijt om alles wat niet gedaan is. Het kan maar zo te laat zijn en God zal zeggen: “ik ken jullie niet, waar komen jullie vandaan?” ‘We hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken,’ het lijkt het avondmaal wel, ‘we waren bij het onderricht in de straten,’ we deden mee met catechese en praatgroepen. Maar wat gezegd wordt is “Weg met jullie, rechtsverkrachters.” Stevige taal. Wie niet voor Jezus is is kennelijk tegen Hem. Wie niet voor zijn minste broeders en zusters opkomt, wordt als rechtsverkrachter buitengezet. Handelen kan fout zijn, maar niet handelen zonde. Niets gedaan met Jezus die vrede en barmhartigheid op aarde bracht.
Daarom die strenge woorden van Jezus om serieus te nemen: “Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan.” Zo zou mijn preek zijn geweest, nog niet zo lang geleden. En het was een goede preek geweest – het evangelie is verkondigd. Maar wel een preek waarin ik nog het meeste lijken zou als de toerist die boven op de bergen staat en naar de Alpe d’Huez kijkt. Die denkt: doen ze daar nou zo moeilijk over? Gewoon doen wat van je verwacht mag worden. Anders lig je eruit. Zo’n beeld kun je ook van God hebben. Hoog in zijn hemel, ziende naar zijn mooie schepping waarin de mensen wat heen en weer friemelen en worstelen met hun lot en met elkaar. Als hemelhoge God geef je ze goede raad, goede woorden, Tien en meer: doen ze daar nou zo moeilijk over?
Tweede preek:
Van de week begonnen de woorden van Jezus gaandeweg anders bij mij te klinken. “Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan.” Opeens vroeg ik me af: waarom neem je ze zo serieus, deze woorden van Jezus. [ ] Misschien heeft Hij ze wel uitgesproken met een zware toon van ironie, die je op papier niet terugziet. Zo van: ‘Dat moet je vooral doen, alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan. NIET DUS. Tallozen zullen dat proberen maar er niet in slagen.’
Het is maar waar je staat. ik word ook een dagje ouder... En als je de veertig voorbij bent en geen geld hebt om een motor te kopen, geen tijd om met eigen handen een boerderij te verbouwen en geen zin om op een andere manier je midlifeleeftijd te ontkennen, dan ga je nuchter constateren dat het grenzeloze optimisme in jezelf, in je kunnen om de wereld te verbeteren en de kerk te redden, je geloof in je eigen succes om nummer één te zijn tanende is. Er blijken ook dingen waar je niet in slaagt. Binnen 40 minuten de Alpe d’Huez beklimmen bijvoorbeeld. Of zelf die smalle deur van het koninkrijk binnen te gaan, door mijn leven te leven als waardevol voor God. Jezus spreekt in de taal van de sport als Hij zegt ‘doe alle moeite’. Probeer maar nummer één te worden. Kom op. Zet ’m op. Sloof je uit, leef je uit in je goede werken, maar wees niet verbaasd wanneer je op een dag merkt dat de deur dicht zit. Altijd aan goede doelen gegeven, maar wat is de wereld er beter van geworden? Je kunt de zin ervan opeens zomaar kwijt zijn. Je gelooft in de kerk, zet je er honderd procent voor in. Maar wat gebeurt er: tekorten, afslanken. Wereldwijd groeit de kerk, uit het zuiden en het oosten komen ze, het noorden en het westen hebben het nakijken. Zo lang gebeden voor die vrienden met hun kinderwens. Maar keer op keer gaat het mis. En elke keer voelt het of de deur daarboven met een klap wordt dichtgeslagen.
Zijn het er dan maar weinigen die worden gered? Zovelen krijgen het gevoel erbuiten te vallen, buitengesloten te worden, te kloppen op een dichte deur. De vraag die Jezus onderweg kreeg, die in eerste instantie misschien wat vreemd klonk, die deed denken aan Openbaringen waar het getal van 144.000 wordt genoemd als hen, die het gered hebben, die gered zijn, uit de wereld van alle benauwdheid. Zijn er heel wat, maar gerekend naar de mensheid een fractie. Die antieke vraag of het er maar weinig zijn, kan heel dicht bij onze levenservaring liggen van een dichte deur daarboven, je ligt eruit.
Dan steekt het. Wanneer we Jezus horen zeggen dat je je best moet doen, zoals in mijn eerste preek, dat je tot het gaatje moet gaan om iets te bereiken, zelfs om meer te bereiken dan een ander. Zou het bij God dan ook zo zijn: dat alleen de zon voor niets opgaat in het Koninkrijk van God? Dat we beter ons best moeten doen? Nog meer geven. Nog meer inzet. Nog meer bidden.
Het zou wel bij ons mensen passen. Gebrek aan resultaat wordt altijd vertaald als: iemand heeft het fout gedaan, iemand heeft te weinig zijn best gedaan. We geven De Nederlandsche Bank de schuld voor te weinig toezicht, we geven het Nederlands Elftal de schuld voor te weinig goed voetbal. Verliezen is een ramp, gezien de vele financiële consequenties – en ik heb altijd begrepen dat vanwege die enorme druk het gebruik van stimulerende middelen bij de Tour de France zo groot is. Het moet goed gaan, zo is onze wereld, er moet promotie gemaakt worden, er moet gewonnen worden. Een stuk tragiek van ons bestaan. Want niet iedereen kan winnen. Op een paar gelukkigen na maken we van onszelf vooral verliezers. We huilen van onmacht en knarsen met onze tanden van boosheid.
“Moet je vooral doen, alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan. Tallozen zullen dat proberen maar er niet in slagen,” zo hoor ik Jezus vanmorgen. Met die ironie van NIET DUS, zo niet, breekt hij door al ons denken en al onze levenservaring heen. De deur lijkt dicht, niemand lijkt meer binnen te komen. Maar dan? Dan komen ze uit het noorden en het zuiden, uit het oosten en het westen, de mensen die aanschuiven aan tafel bij God. Volslagen onverwacht wordt het dringen binnen. Kijk ze eens komen, uit alle windstreken, tegen alle verwachting in. Er blijkt nog volop plek te zijn, en het gaat maar door. En ze lopen daar vast niet omdat die wel zo extreem hun best gedaan hebben, beter dan anderen en een gratis toegangskaartje gewonnen hebben voor het feestje in Gods koninkrijk. Als ik goed kijk – ze lopen er geloof ik tussen: zij die gaven om een betere wereld al wonnen ze die niet, zij die geloofden in de kerk al hadden ze geen succes, zij die de sterren van de hemel baden maar slechts weinig lichtpuntjes meer zagen. Ik zie niet goed wie er nog meer tussen lopen. Het is me niet gegeven om te zien of ik mensen mis, en zo ja wie dan. Maar ik zie één ding: het wordt een schare die niemand tellen kan.
“Zijn er maar weinigen die gered worden?” Was de vraag. “Moet je dóen, je uiterste best om binnen te komen” hoor ik Jezus zeggen. Dan word je vanzelf een verliezer. Zie je alleen maar anderen voorgaan. Kun je uit die kramp komen, van alleen nog maar oog hebben voor winnen of verliezen, alleen nog maar gericht zijn op gered worden of erbuiten vallen, dan komt er een enorme ruimte. Voor rust en inkeer, voor geduld en vertrouwen, hoor ik Jesaja zeggen. Hij ziet daar redding en kracht in liggen. Ruimte om op te ademen, om te lachen en te zingen, God de lof, om een ander te gunnen dat hij voorgaat, ruimte om je aan de zaken van God te wijden uit liefde en niet uit angst om buiten te blijven staan.
Misschien dat het helpt te ontkrampen als we het oog houden op de Ene, die door de smalle deur ging. Het werd een kruisdood. In Hem meer dan de God van bovenaf, die zich afvraagt ‘waar doen ze nou zo moeilijk over? Laat ze eens wat meer moeite doen.’ In Hem de God die beneden staat en ziet, wat het is om bergen te moeten beklimmen. Die begrijpt wat het vraagt om zijn koninkrijk toegewijd te blijven. Een leven. Een dood. Aan het kruis. Zo won Hij een wereld. Zo won Hij mij. Dankzij Hem zie ik geen dichte deur meer, maar, soms, even, dat Hij die poort wijd openzet.
1 Korintiërs 9: 24-27 - "op je doel af"
Preek, gehouden op 11 juli in de Immanuelkerk
Ik moet het maar eerlijk toegeven. Voor deze zondag had ik me er gemakkelijker vanaf willen maken. Zo vlak voordat je op vakantie gaat is er nog zoveel te doen, af te ronden, nog even na te lopen, dat een predikant net als u al zijn tijd wel kan gebruiken.
Daarom had ik al een tijd geleden bedacht waar ik vandaag over zou gaan preken. Sterker nog, ik had mijn preek dankzij wat vooruitwerken zelfs al half klaar. Ik had het begin van het WK gezien: Nederland-Denemarken – 2-0. En toen was ik er vrij zeker van dat Nederland echt niet de finale zou halen. Ik was de enige niet. Er schoot mij die avond een passende tekst te binnen voor 11 juli, de dag van de finale van de WK waar we weer niet aan mee zouden doen. Psalm 130 – “uit diepten van ellende roep ik tot U o Heer.” Met een knipoog.
Nou, daar was ik mooi klaar mee. Maandag nog dacht ik dat het wel los zou lopen. Maar de overwinning op Uruguay afgelopen dinsdag verkreukelde mijn halve preek tot oud papier en ik kon woensdagmorgen opnieuw beginnen om een nieuwe dienst vorm te geven. En zo geschiedde. In de hoop dat u en ik vanavond om half elf niet alsnog aan deze Psalm denken: “uit diepten van ellende.”
Laten we dan gelijk ook maar samen luisteren en kijken naar één van de weinige plekken in de bijbel, waar het over sport gaat. Paulus was als kind van zijn tijd vertrouwd met de sportevenementen uit zijn tijd. Voetbal en wielrennen waren niet de volkssporten, vooral athletiek was helemaal hot: hardrennen natuurlijk. Maar ook bijv. paardrijden en boksen deden mee. Wie weet heeft Paulus ooit in Athene de Olympische Spelen bezocht. Maar dat waren niet de enige spelen in het Griekenland van toen. De Olympische Spelen zijn de bekendste van de zgn. pan-helleense spelen, bedoeld voor mensen uit de Grieks sprekende wereld, een vorm van verbroedering en verzustering, wanneer de gemoederen tenminste niet te hoog opliepen. Maar je had ook de Pytische Spelen, één keer in de vier jaar in Delphi, de Nemeïsche Spelen eens in de twee jaar bij het stadje Nemea. En je had één keer in de twee jaar de Isthmische Spelen. Die werden gehouden in Korinte. Elke soort spelen had ook zijn eigen lauwerkrans. Olympisch was de olijfkrans, in Delphi de laurierkrans, in Nemea maakten ze de hoogste onderscheiding van selderiebladeren en in Korinte zou de krans van pijnboomtakken. Bij elkaar een echte Griekse salade dus.
Sommige theologen weten zeker dat Paulus de Isthmische Spelen zal hebben bezocht. Je ziet hem al bijna zitten op de tribune, met uitdossing en vuvuzela. Maar dat is natuurlijk speculeren. Zeker is, dat hij tijdens zijn zendingsreizen (2e en 3e) drie keer in Korinte geweest is. Het kan haast niet missen dat hij tenminste één keer het hele circus rond de Spelen heeft meegemaakt. Bovendien valt op: hij heeft het niet vaak over sport. Maar wel altijd in positieve zin. Als je zo positief over sport bent en je bent toevallig in de buurt. De kaartjes waren toen nog betaalbaar. Ik heb zelfs begrepen dat ze gratis waren.
Toch opvallend, de rechtzinnige theoloog Paulus die de sport erbij haalt als het om geloven gaat, en dat op een positieve manier. Wij hadden dit jaar op de Veluwe een dominee die opriep tot gebed dat Nederland maar gauw mocht verliezen zodat de sportverdwazing weer ten einde zou lopen. Het werd niet verhoord. Er is natuurlijk een hoop verdwazing: wat voor voetballers wordt betaald slaat helemaal nergens meer op; en jarenlange dopingschandalen hebben de Tour bijna om zeep geholpen. Maar toch. Paulus houdt zijn gemeenteleden in Korinte niet weg van het stadion, hij neemt ze in gedachten juist mee naar binnen.
Je kunt nu iets ongemakkelijks voelen. Met alle mooie kanten die sport mag hebben, in de basis gaat het om competitie, om rivaliteit. Het is wed-strijd. Óf Nederland. Óf Spanje. En dat is bij Paulus niet anders. Hij erkent dat er maar één de prijs kan winnen.
We kunnen gelijk gaan roepen dat de vergelijking altijd ergens mank gaat. Maar rivaliteit was juist kenmerkend voor de gemeente van Korinte. Er waren partijschappen, groepjes rondom bepaalde personen. In die ene gemeente van Christus waren meerdere leiders met eigen aanhang: Kefas, Apollos, Paulus. Ieder hun eigen fanclub. Het schijnt dat die Isthmische Spelen zich niet beperkten tot het stadion. Op straat deden goochelaars hun trucs, handelden sjacheraars en trokken verschillende filosofen de aandacht, terwijl hun volgelingen met elkaar ruzieden. Paulus vindt dat de gemeente van Korinte daar aardig op begint te lijken. Allemaal partijtjes die hun leiders beschouwen als sporters: ‘wie is de beste?’ Want daar moet je bij horen!
Competitie is ook onze kerk niet vreemd. Op maandag bij de koffie: hoeveel zaten er bij jullie in de kerk? Wie trekt de meeste kerkgangers? Wie heeft de meeste deelnemers aan kringen?
Paulus lijkt er een schepje bovenop te doen: ‘Ren als de atleet die wint!’ Hup Kefas, hup Apollos, Hup Paulus. Moge de beste winnen. Voor iedere hardloper geldt maar één doel: als eerste aankomen. Dan mag hij gelauwerd worden en de krans van pijnboomtakken op zijn hoofd dragen.
Maar omdat we eerder begonnen te lezen, begrijpen we dat Paulus heel wat anders bedoelt. Het gaat er niet om dat er maar één kan winnen – wat doen we hier dan nog met zijn honderdvijftig. Het gaat er om dat het lopen eens een keer serieus genomen moet worden. Lopen om een erekrans die niet vergaat, lopen om je doel te halen. Paulus laat zien dat hij een doel heeft, dat hij najaagt: ook de zwakken horen onder de vleugels van de Eeuwige te kunnen schuilen. Het evangelie is voor hen. Wie en wat die zwakken precies zijn, krijgen we niet te horen. Maar elders horen we over de gemeenschappelijke maaltijden, dat die weinig gemeenschap meer stichten. De rijken eten hongerig en drinken gulzig van wat ze zelf meebrengen; de arme, die misschien wel later komt vanwege zijn werk, vist achter het net, vindt de hond in de pot. “Wie honger heeft kan beter thuis eten” luidt de wijze raad sarcastisch. Dat past niet in het beeld van de wedstrijd van Paulus. Als je loopt, heb dan een doel. Als je gelooft in Christus, dan geloof je ook in de zwakken over wie Christus zich ontfermde, de wet van Christus. Dat is je doel, daar ga je voor. Maar in de kerk van Korinte eet de dikke zich dikker, de magere blijft mager. En verder filosoferen ze leuk over hun onderlinge verschillen, maar daar schiet die man, die vrouw niets mee op over wie Jezus zich juist zou bekommeren.
Oftewel: Paulus brengt vanuit de sport rivaliteit in. Maar een nieuw soort. De rivaliteit onderling wordt: rivaliteit met jezelf! Ga de uitdaging aan met jezelf. Ga voor je doel! Dat is altijd al een goede raad in je leven, om zicht te krijgen op de doelen in je leven. Soms moet je eerst je neus stoten, blijven zitten of zo, voordat je doorkrijgt wat wel telt en wat niet in je leven, waar je dus wel voor gaat en waarvoor niet. Maar in het gelovige leven is het volgens Paulus niet anders.
Het beeld van de sporter reikt verder dan de gemeente van Korinte, die niet van haar oorsprong en doel moet wegdrijven. Geloven kent ook een doel. Een erekrans om te winnen. Mooi, dat geloven ook winnen kan zijn. Vaak horen we over verlies: de eerste wordt de laatste, wie zijn leven wint zal het verliezen, wat baat het een mens, de wereld te winnen en zichzelf te verliezen. Maar er is ook winst. Die erekrans. En met dat doel voor ogen mogen we leven en geloven.
Wat die erekrans is? Volgens het NT een kroon op je leven, een soort lintje van de grote Koning als blijk van waardering, dat je volgehouden hebt, net als zovele anderen. De krans ontvang je in deze gedachte aan het einde van je leven of aan het einde van de tijden. Hij heeft iets van eeuwig leven. De krans dragen is delen in de heerlijkheid van Jezus, de overwinnaar.
Toch zou ik niet willen concluderen dat we als gelovigen de krans van ooit dragen als teken dat we het eeuwige leven verdiend hebben. Mocht dat eeuwige leven waarin we geloven, echt bestaan – ook als iets van na ons aardse leven, dan ontvangen we dat, in Jezus’ naam. Cadeau. Genade. Maar die krans heeft altijd te maken met het aardse leven. Voor Paulus de wet van Christus: opkomen voor de zwakken in de gemeente. Voor anderen in het NT: trouw zijn aan je geloof in Jezus Christus.
Mag ik het vanmorgen een beetje simpel zeggen (dan snap ik het zelf ook nog een beetje): gaan voor die erekrans is dichtbij Christus blijven. Als doel van ons geloof: de nabijheid van God. Is dat niet waar we eigenlijk voor gaan? Er is zoveel verlangen in de wereld, zoveel verlangen bij onszelf. Verlangen naar balans in je leven, want van sommige kanten voelen we zoveel druk; verlangen naar heling van datgene wat brak of barstte; verlangen naar toekomst, uitzicht, voorbij onze menselijke horizon; verlangen naar vergeving, naar geaccepteerd zijn ondanks. Geloven is in al die verlangens dichtbij God blijven. Hem zoeken, bestormen met je vragen, omarmen in je geluk.
Dat gaat niet vanzelf. Dat zou je nog even kunnen denken. Geloven als een pakketje van waarheid: Jezus is gestorven voor onze zonden, en klaar. Maar het leven is weerbarstiger. Wat de keuvelende kletsmeiers in Korinte volgens Paulus niet begrepen, is dat het om anders leven vraagt, om anders rennen. Niet als iemand zonder doel; of, zoals een bokser, niet door slagen in de lucht te slaan. Geloven is gaan voor dit doel, dichtbij Christus blijven. Paulus hardt zichzelf, oefent zich in zelfbeheersing. Opdat hij in de race blijft. Niet gediskwalificeerd raakt. Zijn doel haalt.
Als we voor de erekrans gaan, dan vraagt dat om training, horen wij van sportliefhebber Paulus, om doorzetten. Ik denk niet omdat God voor zijn aardigheid verstoppertje met ons speelt. Of zou vinden dat we ook maar eens wat moeten doen, na alles wat Hij gedaan heeft. Ook denk ik niet omdat we anders niet in de hemel zouden komen. Maar puur om de relatie met God onze Vader te onderhouden. Op te bouwen. opnieuw te bouwen. Opdat wij Hem leren kennen, steeds meer, steeds weer.
In de sport spreekt het als vanzelf: zonder trainen haal je je doel niet. Van de grote Zuid-Afrikaanse topgolfspeler Gary Player doet een verhaal de ronde. Hij stond tijdens een wedstrijd even zijn swing te oefenen. Iemand uit het publiek riep bewonderend: “Zo’n swing zou ik ook wel willen hebben.” Gary Player was niet gestreeld maar geërgerd. Hij zei: “Weet je wat het kost om zo’n swing te hebben? Elke dag om vijf uur opstaan en oefenen je swing, tot honderd keer achter elkaar. Of totdat je handen het opgeven van inspanning.” Voor elke topsport geldt: toewijding en discipline. Een stukje rivaliteit, competitie met jezelf. Iedereen wil straks wel door de grachten, op de boot vol oranje, dinsdag. Maar wil ik ook trainen, dag aan dag. Lange adem hebben, trouw zijn in kleine dingen: je bijbel pakken, lezen, willen worstelen met wat je niet begrijpt, hulp vragen, een hulp zijn, je oefenen in de lofzang, volharden in je gebed, de stilte zoeken in alle drukte. Kijk eens in je agenda: gun je jezelf hiervoor de tijd? Want dat is misschien wel de kern van onze tak van sport: er de tijd voor vrijmaken. Om op je doel af te gaan. Voor de winst!
Geloven vraagt toewijding. God biedt geen pakketje geloofswaarheden aan om te accepteren. Hij wil dat zijn schepselen zijn kinderen zijn, mensen die God aanroepen met ‘onze Vader’. Vindt het erg, wanneer mensen van Hem vervreemden. Wat maar zo kan, door wat je meemaakt. Geregeld kom ik mensen tegen, die God kwijtraakten in hun leven, door wat ze meemaakten. Of Hem maar niet konden terugvinden. Mensen, die ontferming van God en mensen nodig hebben. Je zou God maar zo opgeven, als grote illusie uit de kindertijd, die het echte leven niet aankan.
Dit zijn niet de mensen die niet trainen. Zij zoeken vaak juist intensief naar God, hebben juist dat ene doel voor ogen: bij Christus willen schuilen, hun kracht er hervinden. Laat de boodschap vanmorgen niet onbarmhartig zijn dat zij maar meer moeten trainen. Want er is meer dan trainen. Er is ook geloof in de winst. ‘Onze’ Dirk Kuyt zei: “Als wij de dingen doen die we moeten doen, gaan we van Spanje winnen. Het is ons geloof, ons vertrouwen” (Trouw 9 juli 2010). Hoeveel kracht dat geloof in elkaar heeft, zullen we vanavond wel zien. Hier, in dit huis, mogen we elkaar vertellen van het geloof in de kracht van God. Die de grootste overwinning al behaald heeft, op Paasmorgen. Die de diepste nacht voor het licht deed wijken.
Die winst wil onze worstelwedstrijd uitzicht geven. Dat het doel voor ieder van ons is weggelegd.
Psalm 8
preek, gehouden op 4 juli in Maranatha-Morgenster
Psalm 8. In de Bijbelwetenschap is het helemaal niet zeker dat deze psalm ook echt door David is gedicht. Maar je zou het je maar zo voor kunnen stellen. Bijv. door David de herdersjongen, met zijn schapen en geiten, rondtrekkend van dorre gebieden naar grazige weiden. ’s Nachts bij een vuurtje, verder nergens licht. Weggekropen in zijn kleren, niets anders om zich heen dan een zwijgende kudde schapen en geiten, slaat hij zijn ogen op naar sterren en maan. Het is net alsof hij wat minder alleen is. Of door David de miskende koning, op de vlucht, door Saul achtervolgd van grot naar grot. Met zijn mannen schuilend voor de nacht-en-wat-zij-brengen-kan ook een moment van rust. Als alles wat aandacht opeist, wegvalt, als zelfs de zorgen van de dag een moment van rust vinden en alleen het schitterende twinkellicht van de overzijde de spelonk binnenschittert. Of door David de grote koning, op het dak van zijn paleis, wanneer hij tenminste niet staat te gluren naar buurvrouw Batseba die net een bad neemt. Net als Abraham ziet hij de ontelbare sterren, lichtjes zwanger van belofte, staat zijn toekomst in de sterren geschreven? Welke David het ook geweest zou zijn, het zou een David zijn die zwaar onder de indruk was. Die het zo geweest zou kunnen zijn, die zingt “U die aan de hemel uw luister toont.” De hemel laat de dichter in hem wakker worden.
In een onbewolkte nacht doet de hemel verwonderen. Oh en ah. Het gaat bijna vanzelf. Het is zo groot, zo groots, majesteitelijk. Geweldig. Bijzonder dat we dezelfde sterren aanschouwen als misschien wel die David. | Bijzonder eigenlijk dat wij daar nog net zo betoverd door kunnen raken als hij destijds. Misschien wel een wonder. Wij, die ondertussen veel meer weten, zo door schoonheid bevangen. Dat die kleine sterren reusachtige, weinig romantische vuurbollen op vele lichtjaren afstand zijn; dat we misschien wel sterren zien branden die op dit moment allang niet meer bestaan; dat we maar een minimale fractie zien van wat er allemaal aan sterren, manen, zonnen en planeten ronddraait in het heelal. Toch hindert die kennis niet om diep onder de indruk te zijn. Zo blasé zijn we ook weer niet. Net als met de geboorte van een kind. We weten drommels goed hoe het menselijk leven ‘gereproduceerd’ wordt, maar wat is elke geboorte weer een groot wonder.
Het zal wel niet voor niets zijn dat Psalm 8 het juist over een sterrenhemel en over kinderen en zuigelingen heeft. Twee terreinen waar we onbetwist voelen dat het leven ons ver overstijgt. Dat we eigenlijk maar hele kleine mensjes zijn die alleen maar leven van wat we in handen krijgen. Dat we in diepe verwondering ontstaan en omgeven door verwondering bestaan.
Daarmee is psalm 8 echt een lied van de verwondering: het kleine mensje, mens uit aarde genomen, stof tot stof, dat ontstaat en bestaat. Temidden van zoveel schoonheid mag het bestaan. Verwondering is weinig anders dan rondlopen in het paradijs. Moet je eens kijken, Adam, hoe mooi; heb je dit al gezien Eva, hoe kan het bestaan. Wat hebben we het getroffen hè.
Al die sterren in de nacht. Wat is de mens? Kun je je afvragen. Nietigheid dringt zich op, onder de onmetelijke hemel. Een mens lijkt nu niets meer voor te stellen, in de uithoek van het heelal, volgens Lucebert een kruimel op de rok van het universum, en zelfs dat lijkt tegenwoordig nog te optimistisch. Een stofje op de weg die geschiedenis heet, een druppel in de oceaan. Dat is ons bestaan.
Maar het goede geloof van de dichter draait de zaken om. Zijn geloof durft iets te zeggen waar een ander zou kunnen blijven steken in zijn nietigheid. “Wat is een sterveling, dat U aan hem of haar denkt? Het mensenkind dat u naar hem en haar omziet.” Ik weet niet hoe het bij u zit, maar ik krijg bij zulke gedachten kortsluiting in mijn hoofd. De onmetelijke omvang van het heelal, waar het over melkwegstelsels gaat, waar we zo gemakkelijk praten over afstanden in lichtjaren, dat we bijna zouden vergeten dat een lichtjaar 9 1/2 biljoen kilometer is, afgerond een 1 met 13 nullen (1013), we kunnen dat niet eens bevroeden. En dan ziet God naar zijn mensenkind om?
Als wij al last hebben van de omvang, van het massale, wat moet God dan wel niet groot zijn. En tegelijkertijd, wat is het dan moeilijk om Hem voor te stellen. Als een persoonlijke God, als uw en mijn Heer. In die massaliteit en gigantisme is het niet zo vreemd om je godsgeloof kwijt te raken: zit hier nog een bedoeling achter? Maar zo ja, dan zullen we daar wel nooit met ons koppie bij kunnen.
En toch, als nog een wonder, want het spreekt nu helemaal niet meer vanzelf – kijken naar de sterrenhemel roept het geloof van de psalmdichter wakker, midden in de nacht, als een stem in het duister. Van die misschien wel David de herdersjongen, die zich onder de sterren gelukkig voelt; van die misschien wel David de miskende koning die zich onder de sterren geborgen weet; van die misschien wel David de grote koning, die zich gekend weet van haver tot gort, en zich verbaast dat hij ondanks dat Gods grote koning mag zijn. Het geloof, onder de indruk van die grote, hemelhoge God. In het geloof als één die met ons begaan is. Die iets in je hart legt, noem het een zekerheid, een betrokkenheid, een geborgenheid, een weten dat je verstand verre overstijgt en toch je leven verankert.
David kende het verhaal nog niet. Van Christus, Gods betrokkenheid op zijn mensen in levende lijve. Het is het geloof van Israël, En toch wist hij het ook, dat die ontzaglijk grote God geen sterveling uit zijn gedachten laat schieten, al is de mens als een zandkorrel uit de aarde genomen, Hij verliest hem en haar niet uit het oog. Er is niet alleen de waarheid van het grote en overweldigende, het onpersoonlijke. Er is in het geloof ook de waarheid van het kleine, het intieme, persoonlijke. Het is de verwondering van het geloof, die het in de sterren geschreven ziet: ik klein mensje besta voor het aangezicht van God. (Sparrenheide: het gezelschap waarin we ons bevinden: de sterren van alle generaties verbinden ons, maar ook het geloof van de generaties: David drievoudig, - de God van alle geslachten, die ons dragen wil, dag aan dag).
Na de nietigheid van het mensje onder de sterrenhemel wordt datzelfde mensje nu zelfs bijna goddelijk genoemd, gekroond als een koning met glans en glorie. Niet alleen de voetbalhelden zijn goden, bijna tenminste (de hand van Suarez werd al genoemd de hand van God), maar elk mens, als deel van de hele mensheid. Letterlijk staat er zoiets als ‘Jij hebt hem/haar maar weinig doen ontbreken van de goden’. Of van God. Het Hebreeuws maakt geen verschil. De God waarvan in het begin van de bijbel klinkt: in den beginne schiep God. Maakte scheiding. Tussen licht en donker, tussen land en water. De mens bijna die god. Naar zijn beeld en gelijkenis. Scheppend. Creatief. Groot is de mens, die de materie zijn wil oplegt. Wie op vakantie gaat, zal ook wel eens een museum bezoeken. Daar kom je soms onder diepe indruk van wat een mens vermag. Hij legt de materie zijn wil op, schept zijn werkelijkheid in cultuur, in natuur, in technologie en wetenschap. De mens als schepper, haast een god. Meer dan enig ander leven wezen mag hij zijn/haar stempel drukken op de werkelijkheid. Dinosaurussen leefden tientallen miljoenen jaren. Maar de mens heeft in een laatste paar duizend jaar van zijn bestaan veel meer zijn wereld beïnvloed, met zijn handen, zijn hoofd, zijn taal.
God heeft aan ons zijn schepping toevertrouwd, de geiten, schapen, het rundvee, de dieren van het veld, de vogels aan de hemel, vissen in de zee. Heeft hem/haar daarmee bijna god gemaakt. Wat een risico. De regie uit handen. We kunnen ons cynisme hier wel kwijt. Had God de boel maar in eigen beheer gehouden. De mens als schepper werd een heerser. Hij vergat de dubbelzinnigheid van het Hebreeuws. Toevertrouwd, ‘gij hebt hem doen heersen’ kennen we misschien nog uit de vorige vertaling. Heersen, masjal, is hetzelfde als lijken op. Heersen is als de Heer zijn, een heer zijn, een gentleman. Louter heerschappij, gecombineerd met een forse dosis vooruitgangsgeloof, heeft veel goeds gebracht. Maar de prijs is smerige lucht, zure regen, vervuilde grond, verpest grondwater, olierampen op zee en eindeloos veel mensen- en dierenleed. De heerser als god, maar geen heer als gelijkenis van God de Heer.
Het maakt de kundige, sterke, mens machteloos. Macht blijkt ook onmacht. Wat een tragiek eigenlijk: we kunnen prachtige mobieltjes maken, maar er is uitbuiting en geweld rond de mijnen waar de grondstoffen zitten die ervoor nodig zijn; en zodra we dankzij medische wetenschap ouder en ouder worden met elkaar, wordt oud zijn een serieus probleem. We kunnen gaten boren om olie vanonder de oceaan te halen, maar gaten dichten lukt maar niet.
Je zou er moedeloos van worden. Je zou er machteloos van worden. De bijna goddelijke mens werd hij genoemd. maar hij lijkt nog steeds die nietige, kleine. Onmacht. Waar is toch de macht van de mens gebleven, die machtige schepper bijna-god?
Als het gaat om macht en onmacht horen we in de Psalm over andere macht. Van een kinderstem die opstijgt uit het wiegje, die niets anders doet dan je bepalen bij het wonder van nieuw leven. Van een kinderstem, die na het aanbellen tegen zijn zieke buurman zegt: ik kom eens even bij jou praten. Van een kinderstem, die achterop de fiets een liedje van geluk zingt. Je kunt je levendig voorstellen dat God met die stemmen een bolwerk opwerpt, tegen het kwade in de wereld. Dat in die kinderstem even het geluk opengaat, waar God zijn mensen voor geschapen heeft. En dat dat geluk niet alleen voor ouders is, maar ook voor opa’s, oma’s, buren, voor hen die zelf geen kinderen konden krijgen, voor allen die de stemmen van onze kleinen nog willen horen.
Er is andere macht, zingt Psalm 8. Die van een kinderstem. Er is andere macht, ook van die mens, goddelijk, bijna God. Of mag ik dat vanmorgen eens vertalen met: bijna engelen, zoals sommige zeer oude vertalingen dat doen. Dan zie je op je netvlies van die hemelwezens verschijnen, met hun hemelse liturgie, met bazuinen in de hand als vuvuzela’s.
Er is een andere macht. Van de kinderstem. Maar ook die van de liturgie. Midden in onze macht en onmacht van alledag heffen we een loflied aan. Doen we straks ook: Gezang 400. Dat is de macht van de lofzang, die God prijst om zijn goedheid en grootsheid. Die gezongen wordt met volle overtuiging, dat er maar één wettige eigenaar is van deze schepping. Die gezongen wordt met de volle verwondering over Gods grootheid, dat wij als mensen Gods zaken mogen beheren.
De liturgie, de lofzang, is een andere macht, andere kracht. Dat klinkt misschien wat overdreven, een macht. Wat heftig gezegd: liturgie is geen bijzaak op zondag. Het is een krachtig bolwerk tegen de machten, die willen heersen als God. De grote macht van de mens over bijv. de dieren wordt paal en perk gesteld in de lof en aanbidding van God. Of andersom gezegd: waar wij mensen met de schepping en met dieren omgaan op een wijze, die niet meer past bij ons loflied, dan lopen we tegen grenzen aan. Of, zoals een collega van me ooit zei: wie zal de Schepper op zondag loven en op maandag nog een diepvrieskip van 2,50 kopen. Liturgie komt de schepping ten goede, is een verzetsbeweging: aan God de eer. Alleen aan Hem. De lofzang heft het oog verwonderd omhoog en gaat de verplatting tegen, dat alles maar gewoon vindt, en dat alles maar moet draaien om ons mensen, om ons voordeel, om ons gemak.
Almachtige, verheven Heer, halleluja,
aan U behoort de lof en eer, halleluja. (Gez. 400)
Wat we in de lofzang doen, is doen wat we belijden: Hem als onze Meerdere erkennen, de goede God en geen ander. Haast als engelen mogen we zingen van geluk, dat God een grote God is. Die grote God, als een God die de sterveling gedenkt en naar het mensenkind omziet. Het gaat ons verstand ver te boven. Maar in de nacht van ons bestaan schijnt in het lied weer licht, al is het maar zo klein als een ster.
Handelingen 9 en Filippenzen 3: 12
Preek, gehouden op 30 mei 2010 in Maranatha-Morgenster
Zou je iemand anders willen zijn? Misschien omdat je wel eens genoeg van jezelf hebt, van je inhammen, je lange neus, of trekjes die je liever kwijt dan rijk bent, eerlijk gezegd. Of wat positiever: je zou het helemaal niet erg vinden om net zo goed te voetballen en verdedigen als Boulahrouz. Levert je naast een goed salaris nog een aardig tripje naar Zuid-Afrika op ook. Of om net zo goed te kunnen schaatsen als Sven Kramer. Of, voor de SongFestival-liefhebbers onder ons, te kunnen zingen als Sieneke.
Alhoewel, het hangt er maar vanaf wanneer je het vraagt. Sieneke, die een tijdje de mazzel had dat vader Abraham haar dan maar uitkoos om voor Nederland te zingen – ze mocht niet door naar de finale. We hadden ook niet graag in de schaatsen van Sven Kramer gestaan tijdens de 10 km. op de Olympische Spelen. En Boulahrouz: wie had hem zeven jaar geleden willen zijn, toen hij tijdens Jong Nederland tegen Jong Moldavië scoorde in de zesde minuut – in eigen doel.
Wie zou je willen zijn? Paulus? Ik denk niet dat er veel vingers in de lucht gaan als ik dat u zou vragen. Voor velen die niet in de rechterflank van de kerk kerken, staat Paulus weinig gunstig aangeschreven. Zijn nagedachtenis moet het dan doen met: theologische scherpslijper, vrouwonvriendelijk, en meer van die onaardigheden. Eentje die hoog zou scoren in de funditest van Trouw. Maar toch, het hangt er maar vanaf wanneer je het vraagt. Als we denken aan de tijd dat hij nog Saulus heette, de tijd van zijn jeugd, een jongen groot geworden in Tarsus in Cilicië, Turkije dus, dan moet hij getalenteerd zijn. Niet in de sport of de zang, maar intellectueel en theologisch. Zijn ouders sturen hem naar Jeruzalem, naar de beste en misschien wel de duurste privéschool van de farizeeërs, waar hij aan de voeten mocht zitten van de Grote Gamaliel. Dat was maar voor weinigen weggelegd.
Zou je Paulus willen zijn? Saulus willen zijn, moet ik zeggen? Nou, als je het zo zegt. Maar dan hoor je het verhaal van vandaag voorlezen. Dan laat je deze beker maar gauw aan je voorbijgaan. “Saulus bedreigde de leerlingen van de Heer nog steeds met de dood” (vs. 1). Die vertaling tekent wel een wat scheef beeld. Saulus is geen James Bond zoals Daniel Craig hem speelt, “with a license to kill” waar hij ijverig gebruik van maakt, en hij is ook niet de seriemoordenaar uit een Engelse detective op zaterdagavond. Hij blijft die intelligente jongeman. Maar ook fanatiek. Veel te fanantiek.
Er is dat incident geweest met Stefanus, die gelyncht werd door een woedende menigte, gestenigd, en Saulus stond erbij en keek ernaar, goedkeurend. Dat heeft angst gezet voor wat er kan gebeuren. Het hek ging van de dam. Saulus gaat het ene huis na het andere binnen als hij vermoedt dat er joden wonen die Christus belijden. Hij sleurt mannen en vrouwen mee. Nee, vermoordt ze niet, maar laat ze opsluiten. Deze man is een drama. Jagend op aanhangers van de weg, zo worden zij genoemd, wij zouden zeggen: van die manier van leven, van de weg van Jezus Christus. Verstoord door de man, die de weg helemaal kwijt is.
Geen zinnig mens zal deze Saulus willen zijn, denken we. Wij weten wat religieus geweld is, zeker sinds 11 september 2001. En uit het verleden weten wij welke religieuze gewelddadigheden we zelf hebben moeten leren overwinnen. Als we íets niet willen, dan is het wel als deze Saulus willen zijn. Eerder zien we de taak van religie weggelegd om vrede te bevorderen en verstandhouding tussen verschillend gelovenden te verbeteren. We zullen ook wel moeten, als we onze multi-culti-multi-reli samenleving nog wat leefbaar willen houden.
Maar tegelijkertijd is het niet goed te bevatten, dat ook heel zinnige mensen nog altijd in staat zijn tot religieus geïnspireerd geweld, of tot vervolging van bijv. christenen. Deze zondag vraagt Open Doors aandacht voor dit laatste probleem. Waarom, vraag je je af. Waarom doen mensen dat? Nico ter Linden denkt bijvoorbeeld dat Saulus fanatiek en vol geweld de weg van Jezus meent te moeten bestrijden omdat hij eigenlijk door die Jezus geraakt is, al is het kwartje nog niet gevallen. Hij schrijft: “Kan het zijn dat Saulus niets van Jezus moet hebben omdat hij in een verborgen hoek van zijn ziel weet dat hij álles van Hem moet hebben? Wil hij met zijn haat zijn verlangen overschreeuwen?” Het klinkt wel wat romantisch. Want Saulus was de enige niet met afkeer. En hoe vaak gaat bij geloofsvervolgingen niet om groepsdwang, om belangen, omdat eigen overtuigingen voor erg waar worden gehouden ten koste van anderen. Levensbeschouwelijk ruimtegebrek.
Saulus, een zeer weldenkend mens, overschrijdt door zijn fanatisme grenzen. Wat zullen zijn drijfveren precies geweest zijn? We moeten gokken, hij schrijft er niet over. Later zal hij schrijven over de gekruisigde Christus, voor heidenen een dwaasheid – dat klinkt nog redelijk onschuldig – maar voor joden een aanstoot. In de wet staat immers “een gehangene is door God vervloekt” (Dt. 21:23). Het is een aanstoot om die gehangene als Messias te beschouwen. En als we het toch over de wet hebben. Als deze Jezus als messias wordt beleden, wat dan met de wet? Voor een jood en farizeeër, voor wie de wet het één en al is, zijn identiteit, is er op zijn minst concurrentie.
De intelligente Saulus had het in zijn hoofd allemaal op een rijtje. Hij weet het precies. Zijn manier is de juiste en laat geen ruimte voor de gekruisigde Messias. En wie dwaalt zal hij met harde hand terechtwijzen. De leer boven het leven, of zoals destijds bij Stefanus: stenen boven mensen.
De jonge gemeente spat uiteen: christenen vervolgd komen in Judea, Samaria (c.f. 1:8!!), zelfs in Damaskus. Saulus gaat met aanbevelingsbrieven op pad om ook daar de mensen van de weg weer op de rechte weg te brengen. Hij reist weg van Jeruzalem, weg van de voeten van Gamaliel, die als mild bekend stond en van christenen had gezegd: “als het mensenwerk is wat ze nastreven, zal het op niets uitlopen; is het Gods werk, dan kun je er niets tegen uitrichten of blijk je zelfs tegen God te strijden” (5:38-39). Die wijze mildheid laat Saulus ver achter zich.
Onderweg dan plotseling dat licht. Plotseling, zoals de engel bij de herders, als een dief in de nacht. Een overval. Saulus krijgt een religieuze ervaring van heb ik jou daar. Wie maakt dat ooit mee... Maar voordat je denkt: dat zou ik nou ook willen, nou zou ik wél weer even Saulus willen zijn – zo’n religieuze ervaring zou mijn geloof sterker maken – toch maar niet. Niet alle religieuze ervaringen zijn mooi en fijn. Deze is confronterend. “Saul, Saul, waarom vervolg je mij?” Hoort hij het goed? Niet Saulus. Saul! Maar van alle mensen die je zou willen zijn – Saul is wel de laatste die Saulus zou willen zijn, de koning van Israël die niet langer naar Gods hart was. die streed tegen Gods nieuw gezalfde koning. Ik, Saulus, de geweldige, strijder voor God koste wat kost – ik NIET de mens naar Gods hart???
Toen Saul door David gespaard werd, door de nieuwe gezalfde, messias in het hebreeuws, tot twee keer toe, als Saul zijn behoefte doet in de spelonk waar David schuilt en die niet meer dan een stukje van zijn mantel afsnijdt; en als Saul slaapt en David de tweede kans om hem te doden niet grijpt – toen Saul door David was gespaard hoorde hij ook zulke woorden: Saul, waarom vervolg je mij?
Wie bent u?
Ik ben Jezus, die jij vervolgt.
Saulus, die dacht het zo goed te doen, herkent zich tot zijn schrik in Saul, die streed tegen messias David. Met een klap dringt het tot zijn knappe hersenpan door, dat hij niet Gods voorvechter was, maar zijn tegenstrever. Dat Jezus Gods gezalfde is, Messias, zoon van David, niet vervloekt. Voor dood gehouden is Hij de levende. Maar dan stort alles in elkaar. En hij valt op de grond. Blind. En wie zelf blind is weet beter dan ik wat dat betekent: je moet opnieuw leren kijken. Met andere ogen. Blind, drie dagen lang. De oude Saulus moet sterven aan Christus, om met Hem op te staan.
Wat is hier nou gebeurd? Hoe kunnen we voor onszelf verstaan, wat Saulus overkomt? Ik zie een mens, die vastloopt met God. Vast moet lopen. Omdat hij steeds meer gaat geloven in zichzelf, in zijn eigen doelen en manieren om daar te komen. Zijn liefde verschuift zich, van mensen naar ideaal. Dat kan sluipend gaan, en dat kan herkenbaar zijn. Wanneer onze visies verschillen. We zien dat een ander het anders doet. Dat we dan kwarren en stekelig zeggen: “geen wonder dat de wereld naar de filistijnen gaat;” “vind je het gek dat de kerk leegloopt.” Voor je het weet komt het geloof in je eigen inzichten in de plaats van de liefde voor je medemens of medegelovige. Een gezwollen ego wint het van solidariteit. Het kan maar zo, als je echt ergens voor staat en gaat.
Op weg naar Damaskus ziet Saulus dat het ook anders kan. Zo, dat het licht je overvalt van de aanwezigheid van Jezus Christus. Dat het licht je overvalt, weer over je heen valt en je uit je schaduw trekt. Je eigen systeem, in je koppie zo helder en logisch, valt en breekt, en moet met Christus nieuw opstaan. Want Christus zegt in het licht: Ik ben Jezus. Geloof je het? De kracht van mijn liefde. Dieper dan visies en hoger dan idealen. Die liefde zal de wereld winnen en jou bevrijden. Jou bevrijden van de kramp van zo-en-het-kan-niet-anders; de wereld winnen door de harten te winnen. Het is de liefde die harten wint, de liefde van God, in Jezus Christus zien we hoe ver die gaat, die liefde zal harten winnen met haar kracht, die liefde roept het goede in mensen wakker, die liefde doet verlangen met haar in contact te staan, die liefde brengt mensen in beweging. Saulus mag het zelf ervaren – die liefde wint ook zijn hart. Die liefde gaat voor alles uit en boven alles uit. Ik ben Jezus. Geloof je het? Mijn inhoud bóven jouw vorm.
Na drie dagen kan Saulus weer zien. Daar heeft hij Ananias bij nodig, hij ziet alleen scherp dankzij de ander: het gaat om relatie, om liefde, niet om doelen.
Dan horen we dat hij zich laat dopen, stevig eet en in de volgende dagen op krachten komt. En wat hij dan doet? Hij gaat preken in de synagogen dat Jezus de Zoon van God is. Onmiddellijk, staat er zelfs. Hij kan niet wachten. Zijn ijver is nog onverminderd.Dat zegt wel wat over hoe het gaat, als een mens – laat ik het eens theologisch zeggen – wedergeboren wordt. Het is niet zo van: Saulus was een fanatieke driftkop, maar als Paulus is hij de zachtaardigheid zelve geworden. Mocht je denken dat wedergeborenen te herkennen zijn aan een zalvende glimlach en een zoete lievigheid – een theoloog (Van Gennep) noemde dat ooit ‘de christelijke slijmjurk’ – laat Saulus je dan uit de droom helpen. Hij wordt veranderd, maar niet van persoon. Hij mag blijven wie hij is, de fanatieke driftkikker, farizeeër en nog een radicale ook.
Dat klopt met wat hij later schrijft in de Filippenzenbrief. “Niet dat ik dat alles al bereikt heb of al volmaakt ben!” – Gode zij dank, dan was hij een onuitstaanbare kwast geworden. “Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Christus Jezus.” Ik streef ernaar, ik jaag ernaar – daar staat hetzelfde woord als Jezus gebruikte: ‘vervolgen’. Saulus is nog steeds een gedreven vervolger.
“Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” En we horen: ‘Ja, Heer, ik vervolg U nog steeds. Ik maak nog steeds jacht op U. Maar nu niet meer om U te doden, maar om met U te kunnen leven, om al mijn vertrouwen te stellen op uw erbarmen en uw alles overwinnende liefde.’ (citaat: Van Gennep 1990).
Zou je iemand anders willen zijn? En wie dan? We mogen gewoon onszelf blijven. Fanatiek, radicaal, beetje traag, lekker gezellig. God doet het ermee. Met hoe we zijn, met nukken en stukken, met grillen en willen. Geen christelijke slijmjurk, maar gewoon onszelf, gewonnen door Gods liefde, in dienst genomen door Gods liefde.
Handelingen 2: 1-13, Galaten 5 enkele verzen
Preek, gehouden in de Grote Kerk met Pinksteren, 23 mei
Er zijn van die uitdrukkingen, die je bijblijven. Dat wil niet altijd zeggen dat je ze meteen doorgrondt. Maar ze hebben iets, d’r zit wat in. Dat voel je meteen. Voor mij is zo’n uitdrukking ‘Wie om regen bidt moet de modder voor lief nemen.’ Dat is er eentje uit agrarische tijden en streken, waar regen nodig was voor het groeiseizoen, maar modderige wegen en paden geen pretje waren om overheen te gaan. Ik stel me zo voor dat de Roemeniëgangers deze zomer zich daar wat bij voor kunnen stellen, al hoop ik dat ze mooi weer zullen hebben.
‘Wie om regen bidt, moet de modder voor lief nemen.’ Oftewel, pas op waar je voor bidt. Het een is met het ander gegeven. Je ziet het vandaag weer voor je. De groep volgelingen en apostelen van Jezus, 120 in getal. Ze hebben zich sinds de laatste verschijning van de opgestane Jezus vurig gewijd aan het gebed. Ongetwijfeld hebben ze gebeden om wat hun beloofd was: kracht uit de hemel, heilige Geest. Die kracht konden ze wel gebruiken, nu ze het voortaan zonder Jezus lichamelijke aanwezigheid moesten stellen. Ze zitten daar maar in die kamer, van ‘hoe nu verder’, zorg. Ergens anders in de bijbel staat dat deuren gesloten waren. Want ze voelden zich onveilig. Logisch: een van hen was vlak voor Pasen aan een kruis ter dood gebracht. Dan is het niet veilig voor je, daarbuiten. Zorg en onveiligheid sluiten de deuren. Dan klitten mensen het liefste op elkaar.
Maar wanneer het die dag dan gebeurt, hun gebeden worden verhoord, wat beloofd was wordt vervuld - wanneer de Geest op hen neerdaalt zoals ooit toen God op Sinaï neerdaalde, met vuur en met wind; als het die dag gebeurt dat iedereen als die bergtop zijn kop in vuur en vlam krijgt, vurige tongen vanzelf sprekend, dan is de kamer te klein. De wind waait de muizenissen weg en iedereen wervelt naar buiten. Mensen, gewoon en herkenbaar, allemaal Galileërs, uit de uithoeken van het Joodse land: ze worden bezield om te getuigen van Gods grote daden. Naar buiten. Deuren open. Eropuit!
Dat hadden ze nooit gedaan als ze zichzelf trouw waren gebleven, allereerst goed naar zichzelf geluisterd hadden. Dan hadden de gevoelens van zorg en onveiligheid gewonnen – kracht van boven, om overeind te blijven; daar baden ze om. Logisch.
Maar nu die kracht komt, kunnen ze zich niet meer veilig verschansen achter gesloten deuren, zoals nog maar een minuutje geleden. God heeft plannen, en dus andere plannen met hen. Dus pas op waar je voor bidt: je vraagt om de kracht, maar je krijgt er gratis bij de uitdaging waar je die kracht voor nodig hebt. Je vraagt om de leiding van Gods Geest, maar dan kun je verwachten dat Hij je op wegen brengt waaraan je zelf niet direct gedacht had.
En waar die Geest je ook brengen kan, de straat op om in alle talen te getuigen, naar Roemenië om je vakantie eens aan een ander te wijden in plaats van aan strand- en nachtleven, naar de telefoon om nu eindelijk eens hem of haar te bellen die zal opleven van jouw aandacht, je brengt toch maar eens de bloemen uit de kerkdienst weg, al ken je de ontvanger niet eens – waar de Geest je ook kan brengen, het is nooit meer achter gesloten deuren. Waarachter mensen zich verschansen, op zichzelf, samen alleen met lotgenoten, klittend met elkaar, uit zorg en onveiligheid.
Wie om zich heen kijkt ziet het wel gebeuren, dat klitten bij elkaar, achter gesloten deuren. Ik denk aan onze samenleving waarin we met heel wat culturen hebben samen te leven, wat we er ook van vinden. Maar er is zorg en gevoel van onveiligheid. Niet bij iedereen, maar toch wel veel, lijkt het. We kunnen hard roepen dat het niet hoeft. Dat dat niet mag. Dat we de vreemdeling in ons midden hebben te respecteren. Zo is dat. Maar de zorg en het gevoel van onveiligheid blijven. Er is niet niks aan de hand. En zo blijven deuren gesloten, letterlijk en figuurlijk.
Of kijk naar onze eigen geloofsgemeenschappen. Voor drie van de vier wijken geldt: we moeten straks allemaal door één deur – het blijft nog even de vraag: door wélke deur... Maar zonder gekheid: dan is er ook zorg. En ook het gevoel dat je bij elkaar nog niet veilig bent. Ja, bij een aantal wel, maar in het geheel... Is die ander wel te vertrouwen, of speelt die een slim spelletje met cijfers en gebouwen. Hoe blij ben je met de ander als je eigen kerk op het spel staat; als je eigen manieren van doen die zo goed voelen, anders worden; als je je ontheemd gaat voelen. De deuren gaan noodgedwongen wel op een kier, maar het liefste zouden velen het houden zoals het nu is. Veilig achter gesloten deuren.
Laten we vandaag dan maar oppassen met wat we bidden. Wie om regen bidt, moet de modder voor lief nemen. Stel je voor, dat we om de Pinkstergeest zouden bidden. Stel je voor dat onze deuren zouden opengaan, wij eropuit, open naar de ander. We zouden niet achter onze gesloten deuren kunnen blijven zitten.
Want die Geest, die zich met Pinksteren in alle uitbundigheid liet zien, is geen andere, dan de Geest die op Jezus Christus was, al zou je dat bijna denken. Toen Hij werd gedoopt, daalde die Geest in de gedaante van een duif op Jezus neer. En wat doet deze geliefde Zoon van God? Hij spreekt over het rijk van God, dat alle grenzen doorbreekt, doet de tekenen die de grenzen van ziekte en dood opheffen. Hij gaat uit naar mensen die eruit liggen, door eigen schuld zoals de tollenaars; Hij gaat om met prostituees, die doen wat mannen verwachten maar wat allen verachten – die eeuwige dubbele moraal. Hij gaat uit naar mensen die verkrampen onder hun lot, die in hun kleine wereld-van-ziek-zijn opgesloten raken, die door hun handicap niet mee kunnen doen. Hij gaat erop af, gaat naar buiten, opent de gesloten deuren, maakt contact: maakt nieuwe gemeenschap. Nieuwe vormen van samenzijn, waarbij de ander die echt anders is niet wordt buiten gehouden, maar gezocht.
Die Geest in Jezus is heilige Geest. Die Geest is dezelfde Geest, waarvan Paulus zegt dat de gemeente in Galatië zich erdoor moet laten leiden. “Dien elkaar in liefde.” Het is voor hem niet de vraag of de Geest nog wel eens waait; het is de vraag: mag deze Geest jou leiden, jouw gids zijn. Deze Geest heeft je naaste lief, deze Geest graaft jou op uit jezelf. Deze Geest vertaalt zich niet alleen in uitbundigheid zoals in Jeruzalem, maar ook en misschien wel vaker in het klein van alledag, zoals in Galatië, in de vruchten als liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Allemaal mooie woorden die één ding gemeen hebben: zij houdt de ander hoog. Niet alleen de ander die lijkt op jou, maar ook de ander die zo anders is. Bij wie je je geduld zou verliezen – de vrucht van de Geest is geduld; die je graag eens de waarheid zou willen zeggen – de Geest geeft vriendelijkheid en zelfbeheersing; die je ergert – ontvang de vreugde; die jou stoort – de Geest fluistert over liefhebben. Zo opent de Geest onze deuren die soms potdicht zitten, met onze gevoelens van zorg en onveiligheid. Zo smeedt de Geest mensen aaneen tot nieuwe gemeenschappen.
Stel je toch eens voor: die Geest onze leidraad, in samenleving en kerk! Zo’n Geest is bikkelhard nodig. Die Geest van Jezus. Diezelfde Geest van Pinksteren.
Aan ons de vraag: zouden we die Geest wel willen? Stel, we zouden om die Geest bidden. Die mensen eropuit wervelt, die niet zegt ‘het moet’ maar die het gewoon doet, hoe knus en veilig het ook was, saampjes achter de gesloten deuren. Wie om regen bidt moet de modder voor lief nemen. Of passend bij vandaag: wie om wind bidt moet niet schrikken als het gaat waaien.
Maar ja, stel dat we niet om die Geest zouden bidden, wat dan met ons, en met dat Rijk dat komen moet?
Handelingen 1: 12-26
Preek, gehouden tussen Hemelvaart en Pinksteren (16 mei)
Hemelvaart was het donderdag. De grote lege plek temidden van apostelen en volgelingen. Vanuit ons gevoel van gemis en alleen zijn, zouden we bijna vergeten dat er nog een lege plek was. Maar Lukas vergeet het niet en vertelt. Over de lege plek van Judas.
Judas is niet meer. Hoe hij zijn einde heeft gevonden – daar bestaan twee verhalen over. Matteus vertelt dat hij na zijn berouw doet wat een mens in zijn diepste duisternis soms als enige uitweg ziet, helaas. Lukas vertelt in Handelingen 1 dat een akelige val hem fataal wordt. Maar hoe dan ook, hij laat een leegte achter.
Bijzonder is, hoe Petrus over Judas spreekt. Niet ‘net goed’, niet ‘Judas wikt maar God beschikt’, niet ‘wat een duivel was die vent eigenlijk’. Dat doet Johannes wel, als hij in zijn evangelie over Judas schrijft ‘Hij was een dief’ (12:6). Maar Petrus: “Judas was een van ons en had deel aan onze dienende taak.” Eén van ons. Een medeambtsdrager. Geen veroordeling van wie de fout in is gegaan, al is zijn daad ‘een schanddaad’ en wordt die zo genoemd.
Onder de indruk van het mysterie dat wie met idealen begint, zo kan eindigen noemt Petrus hem ‘een van ons’. Hij verbreekt de band niet, ondanks alles. We mogen Petrus dankbaar zijn voor zijn licht in deze duisternis.
Maar de lege stoel moet vervuld. Leeg is de plaats van Judas, ‘die zijn ondergang tegemoet is gegaan’. Moeilijke woorden. De vorige bijbelvertaling zei: Judas is ‘naar zijn eigen plaats’ gegaan. We kunnen haast niet anders dan vermoeden dat voor Petrus de plaats waar Judas is heengegaan, het donkerste der donkerten is, de buitenste duisternis vol geween en tandengeknars, het Gehenna, wat wij zo plat de hel noemen. Niet omdat een mens in zijn nood geen andere uitweg zag – dat mensen die dezelfde weg gekozen hebben, in het verleden buiten de begraafplaats begraven werden, er in de dood niet bij hoorden en hun ‘eigen plaats’ hadden, lijkt een postume wreedheid zonder bijbelse gronden. Arme nabestaanden. En wat een tekort aan bijbelse barmhartigheid.
Maar Lukas kent de traditie van Judas’ suïcide niet. Judas gaat naar ‘zijn eigen plaats’ om zijn daad van duisternis, Hem, het licht der wereld, over te geven in de handen die het zwaard niet voor niets droegen – zijn aandeel in de dood van Jezus is ‘een schanddaad’. Een weer mogen we Petrus dankbaar zijn, voor zijn licht in deze duisternis, dat hij niet zegt wat wij misschien zo plat zouden doen, ‘naar de hel ermee’. Judas is ‘naar zijn eigen plaats’ gegaan. De leerlingen zullen hebben gevreesd wat die plaats voor Judas was, maar Petrus wil die plaats niet zo noemen. Terughoudend. Want het gaat niet om mensenoordeel, maar om Gods oordeel. Wie weet hoe God is. Wie weet hoe groot Gods liefde is...
Judas’ plek is leeg. Zijn plaats moet vervuld. Iemand zei me hierover: “Moet je voorstellen: dat je op Judas’ plek gaat zitten. Dat is net zoiets als het huis kopen waar een moord in is gepleegd. Wie zou zoiets doen.” Je moet inderdaad niet bijgelovig zijn in deze zaken. Je moet sowieso maar niet al bijgelovig zijn. Maar het vullen van Judas’ vacature heeft te maken met het getal. 12 is het getal van compleet zijn, het getal van Israël met zijn 12 stammen, het is zelfs het getal van de toekomst: het nieuwe Jeruzalem uit Openbaringen kent 12 poorten. 12. 11 is dus: tekort. En wanneer God de Geest uitstort, moeten de apostelen er klaar voor zijn. Een kerkenraad zonder vacatures voor Pinksteren.
Maar dan nu ook gauw door naar deze verkiezing. Er vindt een loting plaats tussen twee kandidaten. Het zijn Josef Barsabbas en Mattias. Twee onbekende namen, die behoorlijk onbekend blijven. Laten we eens wat nader met hen kennis maken.
Mattias: in de heiligenkalender is zijn dag 14 mei, afgelopen vrijdag dus. De nieuwe, twaalfde apostel. Net als de andere elf moet hij ook nog maar wachten tot de Geest groots gaat waaien en hij kan gaan doen wat de bedoeling is: getuige worden van de opstanding (22). Maar hij heeft de bereidheid de post te willen aanvaarden. Doet dat in afwachting, in hoop. Hij aanvaardt zijn taak in de gemeente niet als bekroning van zijn geloof, maar als mogelijkheid tot ontwikkeling. Hij leeft uit de hoop dat je aan kerkenwerk groeit, in plaats van erop afknapt!
Mattias is de winnaar, verkozen uit 120 tot de finale. En dan de finale nog winnen ook. Je ziet maar zo hoe hij gefeliciteerd wordt na afloop, hoe familie en vrienden trots op hem zijn. Sommigen van ons zullen dat gevoel herkennen, dat heerlijke gevoel van ‘gelukt’! . Geweldig, deze promotie. Van één van de 120 nu één van de 12. Zijn naam is een korte vorm voor Mattatias, ‘geschenk van de Heer’. Dit lijkt wel een cadeautje van boven.
Maar zeg dat niet te hard, zolang je niet weet hoe het afloopt: hij, die Jezus al volgt vanaf het moment dat deze gedoopt wordt in de Jordaan, die is blijven volgen en die misschien graag tot die binnenste kring wilde behoren van de 12 vertrouwelingen, hij wordt geroepen om te getuigen van Jezus’ opstanding. Dat doet hij, in Judea en later in Ethiopië. Volgens een apocrief geschrift (Acta Andraee et Matthiae) moet Mattias op een gegeven moment zelfs uit de handen van kannibalen worden gered. Maar in 63/64 wordt hij gestenigd en met een bijl onthoofd. Ironisch genoeg wordt hij de beschermheilige van: slagers en smeden, maar ook van kleermakers, scholieren.
Dat is Mattias, winnaar, de man van 14 mei.
En dan Josef Barsabbas, de andere kandidaat, Justus, de rechtvaardige. Met zo’n bijnaam verbaast het je niet dat hij de finale heeft gehaald. Het lot moet kiezen. Kruis of munt. Barsabbas wordt het niet. Er is een winner maar Barsabbas is de loser. Hij is de mens die het net niet haalt.
We lezen niet dat hij nijdig werd; hij vraagt niet om opnieuw lootjes te trekken. Hij beeldt uit wat Harry Jekkers ergens zingt: “Je moet proberen te winnen, maar ook leren te verliezen.” Hoe hij zich gevoeld heeft, moeten we raden. Zo dichtbij, en dan toch niet. Natuurlijk wist hij ook, dat hij niet de enige in de bijbel was, met deze ervaring. Denk maar aan de broers van David, die allemaal afvielen, als een soort Idolsverkiezing, voordat Samuel de herdersjongen had gezien en deze kleine David tot grote koning had gezalfd. Verliesmomenten kunnen belangrijk zijn voor je. Niet leuk, maar wel kansen voor persoonlijke groei. Al was het maar de harde les dat je in het leven niet altijd nummer één kunt zijn, zoals je dacht in de eerste twee jaar van je leven.
Dat is Barsabbas. Hij heeft geen eigen dag in de heiligenkalender. Verliezen en het net niet halen beperkt zich ook niet tot één dag per jaar.
We verbazen ons ondertussen over de loting. Met strootjes, met lootjes, hoe dan ook. Is dat niet oneerbiedig? Voor zo’n belangrijke zaak voor Gods zaak. Is dat niet godgeklaagd, om met een gebed de uitkomst van dobbelstenen of iets dergelijks in Gods schoenen te schuiven?
Nee, dat doen wij beter. Wij hebben ellenlange sollicitatieprocedures, kandidaten gaan door zware assessments. Wij kiezen niet een goede of een hele goede kandidaat. Alleen de beste is goed genoeg en krijgt het telefoontje ‘gefeliciteerd, wij hebben u gekozen’.
Ja, dat is echt een hele vooruitgang. Dat de kandidaten op de ene winnaar na ’s avonds in hun bed allemaal kunnen: ik was niet goed genoeg...
Barsabbas hoeft dát niet te denken. Het was maar een loting. En hij hoeft ook niet te denken dat Jezus hem aan de kant geschoven heeft, via een paar steentjes of strootjes. Misschien gelooft hij, met de anderen in die bovenzaal: de Heer heeft mij niet gekozen. Maar dan gelooft hij ook dat hij alleen maar niet gekozen werd om de lege plaats van Judas in te nemen. Het wil niet zeggen dat hij bij God niet gekozen was. Het belangrijkste had ook hij al meegemaakt. Ook hij had Jezus gevolgd vanaf het begin. Had zijn doop meegemaakt, zijn woorden gehoord, zijn tekenen gezien. Bij de mensen te horen die dat meegemaakt hebben, dát is belangrijk. En dat hij ook getuige mocht zijn van de Opgestane, die aan de zijnen verscheen. Dát weegt pas zwaar.
Misschien niet tot dat ene uitgekozen. Maar zou Barsabbas, die al van meet af aan Jezus volgt en alles van Hem in zich opzuigt, ooit vergeten dat Jezus allang voor deze dag had gezegd: “Niet jullie hebben Mij, maar Ik heb jullie uitgekozen.” Die Geest van Christus waart hier rond, beginnen we te vermoeden. “Niet jullie hebben mij, maar ik heb jullie allemaal uitgekozen.” Daar verandert de loting niets aan. Dit is de Geest van Christus, die niet weggewaaid is. Wie dacht dat de Geest pas met Pinksteren geboren is? Met Pinksteren verbreedt zich haar werkterrein, in alle onstuimigheid, de hele wereld komt in het vizier. Maar de Geest van Christus is duidelijk niet op voorjaarsvakantie tussen hemelvaart en Pinksteren. In Barsabbas lijkt zij volop aan het werk. Het zal hem hebben gesterkt.
Wat zal het Barsabbas nog uitgemaakt hebben dat hij niet tot dat ene gekozen is, dat hij geen nummer één is net als zovelen, wat kan het hem nog schelen dat hij geen eigen dag op de heiligenkalender heeft – als hij weet dat hij tot Gods grote plan met de wereld hoort. Dat Hij er voor God allang bijhoort, allang gekozen zijn tot zijn volk, tot zijn familie. Dat maakt voor hem het verschil tussen frustratie en overgave, teleurstelling en hoop, woede en blijdschap. Buiten de prijzen vallen is ronduit vervelend, maar de hoofdprijs is allang binnengehaald: Christus telt hem bij zijn familie, als een broeder, een zuster, aangenomen tot kind van God. Daarom spreekt Petrus niet alleen de 11 aan met ‘broeders’ (en zusters), nee dat is de eretitel voor alle 120. Vergeet nooit, je hoort hier bij. Ga gewoon door met christen zijn, je bent niet opeens minder als iets je niet lukt!
Daarom vind ik het jammer, dat de kerk alleen 14 mei kent, feestdag voor de ‘winnaar’; er had er gerust een dag mogen zijn voor Barsabbas, beschermheilige van losers en underdogs. Voor de verliezers die wij allemaal wel eens zijn of die we allemaal eens zullen worden, als we het leven verliezen. Barsabbas. Zonder een woord te zeggen geeft hij ons mee:
‘wij hebben het niet gered, maar we zijn gered’.
Of: ‘Wie het heden verliest, mag een toekomst verwachten’.
Of ‘leven is verliezen, maar geloven is onze winst’.
Handelingen 1: 1-11 en Daniel 7, enkele verzen
Preek, gehouden op hemelvaartsdag 13 mei in de Immanuelkerk
Na 30 jaar regeren hadden royaltykenners en andere onderdanen het toch wel een beetje verwacht dat onze vorstin rond koninginnedag aan zou geven dat ze meende, haar pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt, dat ze haar scepter zou overdragen aan Willem Alexander en eindelijk van Drees zou gaan trekken. Aldus geschiedde niet. Zou koningin Beatrix ons laten zien, dat zelfs mensen met een baan vol zware belasting in de toekomst wat haar betreft niet hoeven te rekenen op vroege pensioenering? In elk geval zal zij stilletjes lachen om de nieuwe pensioenleeftijd van 67 jaar: met haar 72 jaar gaat werkt zij nog in volle vaart door.
Maar wanneer het dan toch aanbreekt, het moment dat we een nieuwe vorst krijgen, wat doen we dan met koninginnedag? De vrolijke, vrije dag vol oude liedjes en oude rommel – wordt dat dan een koningsdag? Dat lijkt me toch een probleem. Niet vanwege de datum – van 30 april naar 27 april, daar moet aan te wennen zijn. Maar vanwege het feit dat we sinds jaar en dag een koningsdag hebben, waarop we allemaal vrolijk en vrij zijn. Hemelvaartsdag is die koningsdag. Jezus bestijgt zijn troon. Niet als erfopvolger. Maar samen met de Vader regeert Hij, tot in eeuwigheid. Dat vieren we met hemelvaart.
Maar de leerlingen lijken er uitgerekend op deze feestdag wat beteuterd bij te staan. Jezus was als Opgestane inmiddels meermalen verschenen. Maar deze verschijning is de laatste. Het is afscheid. Niks feestelijks aan. Ontdaan en verlaten komen zij op ons over, hulpeloos starend naar boven. Misschien herkennen wij ons zelfs in deze elf apostelen. Voelen we ons reddeloos alleen in onze kerken waarin we van zoveel mensen afscheid genomen hebben of zonder afscheid hebben zien verdwijnen. Weten we nog hoe het twintig, dertig jaar geleden was. God, hoe moet het verder? Wat zijn we deze week weer met onze neus op moeilijke feiten gedrukt. Of kijken we misschien meer verloren om ons heen vanwege een opwarmende aarde, stijgende zeespiegels, smerige olie. Het is een ongemakkelijke waarheid (An Inconvenient Truth) die ons kan wakker schudden maar ook verlammen. Of kijken we nog weer anders naar wat we missen, waar we afscheid van namen, van een droom die niet uitkwam, van een kans niet gegrepen. Staren we naar wat ons ontnomen is en kijken we achterom.
Beteuterd, verlaten, hulpeloos en haast reddeloos kun je je voelen als de elf op de Olijfberg. Maar twee witte gedaanten als engelen brengen de hemelstaarders terug op aarde. “Wat staan jullie te staren?” En nog meer: “Jezus zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.” Wat wil dat zeggen? Tegen mensen die verlaten zijn? Ooit komt hij terug? Velen kinderen, vrouwen en ook mannen die verlaten zijn, hebben tevergeefs gewacht. En zou dit de boodschap zijn geweest, dan hebben ook alle christenen tot nog toe tevergeefs gewacht: Hij is nog steeds niet terug gekomen. Ze zijn in de wacht gezet: “even geduld, a.u.b., er zijn nog vele wachtenden voor u.” Ondanks goedbedoelde woorden staan we nog steeds te staren.
Je mag er meer in horen. ‘Terugkomen zoals gegaan’, dus op een wolk. Die beelden van koningschap, van hemel en wolk, beelden van andere tijden en andere werelden, mogen onze gedachten meevoeren naar de wereld van Daniël. De man die we nog kennen uit de leeuwenkuil. In Babylonië, in een multiculturele samenleving die minderheden dwong zich aan te passen aan de heersende macht, had het Joodse volk het lastig. Hun Tora had hun eigen regels en principes overgeleverd, regels en principes die zich bewezen hadden. En de Heer van die Tora bleven ze trouw. Aanpassing aan de cultuur om hen heen was mogelijk: Daniel kreeg een hoge functie aan het hof. Maar de Joodse minderheid stuitte ook op grenzen. Waar hun Joodse identiteit op het spel stond. Zo kwam Daniël in vuuroven en leeuwenkuil. De multiculturele samenleving van Babylonië ontnam de minderheid die niet volledig kon assimileren, ten diepste de vrijheid zichzelf te kunnen zijn. Zij verwarde eigenwaardigheid met eigenaardigheid en zag daarin een gevaar. Je mocht jezelf zijn, maar op slechts één manier.
Daniel is het voorbeeld van degene die trouw blijft. Ook al dient hij vreemde koningen, hij blijft zijn Joodse identiteit trouw. Hij leeft uit dat het kan: de samenleving dienen met je gekregen talenten en tegelijkertijd trouw zijn aan het verbond tussen jou en de Heer. Het kan. Het is wel eens zoeken, maar Daniel is een prikkelend voorbeeld van de geslaagde allochtoon die zeg maar toch twee paspoorten heeft. Hij kan niet 100% opgaan in de andere cultuur. Want voor hem blijft God de norm van het leven, het wezen van zijn identiteit.
Deze Daniel mag een kijkje nemen in de hemel. Visioen. Er staan tronen. Op één daarvan zit een koning, met de waardige aanduiding ‘Oude van dagen’. Het komt op ons over alsof God tóch wordt geschilderd als een oude grijsaard met lange baard. Maar versta de naam ‘Oude van dagen’ goed: Hij is altijd koning geweest en zal altijd koning blijven. Er is vuur, veel vuur. Geen hellevuur, maar teken van macht, van heiligheid. Miljoenen zijn er om Hem te dienen en te aanbidden. Je ziet het voor je. Wat een grootsheid, wat een massaliteit ook, wat enorm is dit allemaal.
Je kunt overrompeld worden door die massaliteit. Wat stel je als gewoon mens daar voor? Ga je ook in de hemel onder in de massa, zoals je op aarde al onderging in die ruim 6 miljard? Op het moment dat je je dat afvraagt komt in Daniels visioen iemand met de wolken van de hemel. Hoor je de woorden die we in Handelingen ook hoorden. Koning, wolken, hemel. In Daniels visioen komt iemand met de wolken van de hemel. Hij komt de hemel als het ware in. Iemand die lijkt op een mens. Een mensenzoon, zegt het Hebreeuws. Deze zoon des mensen krijgt alle macht, eer en koningschap, een heerschappij zonder einde.
Hoor je het, ‘met de wolken van de hemel’. Hemelvaart.
- Henoch wandelde met God en was niet meer, want God had hem opgenomen
- Mozes, ontvanger van de Tora, doorgever van de Tora, zijn graf nooit gevonden, God heeft hem zelf in zijn besloten kring begraven, zodat niemand ooit kan zeggen ‘Mozes is niet meer, de Tora is dood’.
- Elia, zijn einde – vurige paarden, een wagen van vuur brengen hem in de hemel.
Misschien moeten we niet te snel denken dat we de elf apostelen op de Olijfberg begrijpen en herkennen. Dat ze vol teleurstelling beteuterd en alleen gelaten staren naar de plek, waar ze Jezus voor het laatst gezien hebben. Dat zijn wij misschien, die soms zo staan. Zo zien wij misschien onszelf. Maar de elf zullen als echte Joden toch ook gedacht hebben aan Daniel, aan het visioen – ‘koning, hemel, wolk’. Zij zien wie Hij echt is: Zoon des mensen. Hem is gegeven alle macht in de hemel en op aarde. Het is koningsdag.
Al komen de vragen. Mooi, die macht in de hemel, maar hoezo dan macht op aarde? Het is er nog steeds een zootje. En waarom vallen vliegtuigen uit de lucht? En trouwens, past macht eigenlijk wel bij Hem? Bij Jezus denken we toch meer aan liefde. En ook aan lijden. Liefde tot het einde bracht Hem aan het kruis. Waar was toen zijn macht?
Je kunt je maar zo weer wat in de steek gelaten voelen. Nu Hij daar in de hemel alle macht, maar wij hier beneden verlaten. Hoe verder?
Toch lijkt het mij dat Jezus’ macht als koning van vandaag niet wezenlijk anders is dan toen Hij op aarde was. Ook toen al was zijn macht, niet de sterke arm die laat buigen of barsten, brute kracht van bovenaf. Toen Hij als koning werd binnengehaald, zagen we de machtige op een ezel. Toen gezegd werd dat Hij geen macht had om van het kruis te komen – Hij bleek de macht te hebben om het kruis te dragen. Zijn macht en liefde gaan samen op. Zij beginnen vaak onderop. Zachte kracht. Niet door vingerknippen en toverspreuken. Maar door wet en profeten. Zijn macht begint waar de armen zijn, beschermd door die wet en profeten. Daar wil Jezus zijn. Waar mensen zijn, vastgelopen in hun schuld, hun foute keuzes, klem in hun verdriet, hun onmacht, mensen vast in onrecht. Daar wil Jezus zijn, daar brengt Hij wet en profeten tot leven, daar spreekt Hij tot hun hart en maakt Hij alles anders. Daar wil Jezus zijn. Ook een plek voor wie Hem volgen, onderdanen van zijn rijk.
Die dag op de Olijfberg ging Jezus niet met vervroegd pensioen, omdat Hij nu wel klaar was. Liet Hij ons aan onszelf over? In beelden van de antieke wereld waar de hemel nog boven was en de aarde onder krijgen wij te zien: deze koning verlaat ons niet, maar gaat zijn werkpaleis binnen. Om koning te zijn zoals Hij koninklijk was. Koning voor elk mens. Want elk mens telt. Vergis je niet in de vele miljoenen of miljarden. Met deze koning weet je: elk mens afzonderlijk doet ertoe. En in elk mens wil Hij de macht van zijn liefde neerleggen. Macht van onderop. Zachte kracht. Stille stem in het hart. Om mensenzonen en mensendochters te worden, zoals geschapen naar Gods beeld en bedoeling.
Lukas tekent ons de hemelvaart niet als een einde, maar als begin, als eerste hoofdstuk. Lukas wil vandaag niet vertellen hoe een mens in de hemel komt. Hij wil vertellen hoe de hemel in mensen komt. Jezus op de wolken, mensenzoon, koning. Zoekend en speurend naar onze harten, om te bezielen voor Gods koninkrijk. We worden vandaag niet in de wacht gezet, totdat Hij ooit terugkomt, “er zijn nog vele wachtenden voor u.” Het zal Pinksteren worden.
Leve onze koning!